Wonen met een beperking. Kwalitatief onderzoek naar de woonsituatie en woonwensen van mensen met een beperking
In dit rapport zoeken we op basis van interviews met 23 respondenten met een beperking en 3 zorgprofessionals naar antwoorden op de volgende vragen: Wat achten personen met een beperking noodzakelijk om goed te wonen? Hoe ziet de gewenste woonsituatie eruit en wat zijn de knelpunten om die te bereiken? Wat is er nodig om hun woonsituatie te ondersteunen?
In het rapport komen zes belangrijke aspecten aan bod die de woonervaringen van onze respondenten structureren: (1) de huidige woonsituatie, (2) de woonomgeving, (3) de wens om de eigen autonomie en trots te bewaren, (4) de invloed van informele zorg op de woonsituatie, (5) verhuismotieven en toekomstplannen en (6) collectieve woonvormen.
Met betrekking tot de huidige woonsituatie zien we dat de meeste personen met een beperking de eigen woning trachten aan te passen aan de beperking. Veelgehoorde knelpunten zijn de betaalbaarheid, het gebrek aan informatie en ondersteuning, de lange wachttijden en het feit dat het proactief laten uitvoeren van woningaanpassingen niet altijd door het VAPH wordt ondersteund. Heel wat personen met een beperking ambiëren eigenaarschap. Obstakels ter zake zijn het verkrijgen van een hypothecaire lening of de weigering van hun budgetbeheerder. Huren wordt gezien als financieel minder interessant en bovendien zijn woningaanpassingen er veel moeilijker te realiseren.
Wat betreft de woonomgeving blijkt niet geheel onverwacht dat rolstoelgebruikers niet tevreden zijn over de toegankelijkheid van voet- en fietspaden en van winkels. Kijken we naar de vervoersmodi, dan zijn de aangepaste auto en de fiets het meest populair. Het openbaar vervoer is minder in trek bij personen met een fysieke beperking wegens te ontoegankelijk. Veel respondenten verkiezen een rustige, prikkelarme woonomgeving, maar wel op een centrale, vlot bereikbare locatie dicht bij de nodige voorzieningen.
Een derde aspect dat sterk vanuit de interviews naar boven komt, is de wens om de eigen autonomie en trots te behouden. Dit vertaalt zich in de wens om zo zelfstandig mogelijk te wonen, maar manifesteert zich ook in een weerstand ten opzichte van woningaanpassingen. Ook de confrontatie met de eigen beperking en afhankelijkheid is voor velen moeilijk. Heel wat respondenten ontvangen daarom het liefst zo weinig mogelijk zorg en financiële of instrumentele steun. Ook het wonen met andere personen met een beperking wordt om die reden vermeden.
In een vierde luik bestuderen we de invloed van informele zorg op de woonsituatie van personen met een beperking die niet in een collectieve woonvoorziening verblijven. Hieruit blijkt dat informele zorg, aangevuld met formele zorg vele personen met een beperking in staat stelt om nog ‘thuis’ te wonen, maar dat is vaak erg belastend voor de mantelzorgers. Vele personen met een beperking (en hun mantelzorgers) zijn ook sterk bezig met de toekomst en zoeken naar mogelijke woonalternatieven voor als het ‘thuis’ niet meer zou lukken.
In ons onderzoek kwamen drie belangrijke verhuismotieven naar voor. Allereerst verhuizen de respondenten vaak wanneer de zorgnood toeneemt. Een tweede verhuismotivatie is de wens om alleen of zelfstandig te gaan wonen. Dit zien we vooral bij de jongere respondenten. Ten derde zien we dat enkele respondenten door omstandigheden verplicht werden om te verhuizen. Het gaat hierbij zowel om personen die op de private huurmarkt opnieuw op zoek moeten naar een aangepaste woning, als om personen die naar een ander gebouw moeten verhuizen omwille van renovatie of herstructureringen bij de vergunde zorgaanbieder waar ze verblijven.
Als laatste zoomen we in op collectieve woonvormen. Groepswonen zorgt voor heel wat economische en sociale voordelen en ook voor de nodige gemoedsrust bij ouders en personen met een beperking zelf. Wel is het wonen in groep niet voor iedereen weggelegd. Bij gebrek aan voldoende (toegankelijke) woonalternatieven kiezen heel wat ouders van personen met een beperking toch voor deze woonvorm. Specifiek met betrekking tot ouderinitiatieven zien we dat deze erg in trek zijn omdat ouders zelf het project mee kunnen vormgeven. Obstakels zijn hier het vinden van een geschikte locatie, de sterke afhankelijkheid van externe financiering en het gebrek aan een degelijke juridische omkadering.
Het rapport sluit af met drie aanbevelingen voor het woonbeleid, maar deze aanbevelingen ook raken aan de domeinen ‘Welzijn’ en ‘Omgeving’.
- Aanbeveling 1. Verhoog het levensloopbestendig en toegankelijk woningpatrimonium in Vlaanderen
- 1a. Alle nieuwbouw (zowel publiek als privaat) zou moeten worden voorzien op mogelijke beperkingen van huidige of toekomstige bewoners.
- 1b. Goedgekeurde dossiers moeten nauwgezet worden opgevolgd
- 1c. Ondersteun personen met een beperking nog sterker bij het aanpassen van de woning en versnel de administratieve procedures
- Aanbeveling 2. Vergroot en ondersteun de diversiteit aan inclusieve collectieve woonvormen
- Aanbeveling 3. Verhoog de woonvrijheid van personen met een beperking en koppel deze los van zorg
2021, Elise Schillebeeckx, Volckaert Emma & De Decker Pascal
Leuven: Steunpunt Wonen
103 p., ISBN 978-90-5550-724-5





